Zolang jij denkt dat het zwarte schaap lastig is
Dan snap je de wei niet
Je kent het wel: ergens in je familie, je klas, je team of je buurt zit er altijd eentje. Degene die “net even anders” is. Die zogenaamd moeilijk doet, te direct is, te gevoelig, te dwars. Iemand die zich niet voegt naar de norm, niet meegaat met de groepsdynamiek en als het even kan precies op het moment dat iedereen zich stilhoudt, een vraag stelt die het feestje net iets minder comfortabel maakt. En hup, daar is-ie: het zwarte schaap. Zodra iemand net even anders is, wordt hij razendsnel geïdentificeerd, afgezonderd en van een etiket voorzien en daarmee verdwijnt alle nuance.
Het zwarte schaap. Alsof dat een soort moreel defect is. Alsof je door simpelweg niet mee te lopen, automatisch een probleem vormt. Een risico. Iets dat beter buiten de kudde kan blijven om het geheel intact te houden. Maar als we even stoppen met blaten en nadenken over die metafoor, dan schuurt het behoorlijk. Want waarom is zwart eigenlijk ‘fout’, en wit ‘goed’? Wie heeft dat bedacht? En belangrijker: wie heeft daar belang bij?
Wit staat symbool voor zuiverheid, voor acceptatie en voor de norm. Wit doet wat hoort, wat wordt verwacht en ook wat binnen de lijntjes past. Wit houdt het netjes, beleefd, belemmert niemand en houdt geen spiegel voor. Wit blendt in, wit is sociaal wenselijk verpakt in katoen. En dus is wit blijkbaar wat we allemaal zouden moeten nastreven: wit zijn is blijkbaar veilig. Wit zijn is juist. Wit zijn is wat je krijgt als je lang genoeg je mond houdt.

